Gustave Caillebotte: Rue de Paris, temps de pluie (1877)

Home»Blog

Kunsthistorica Sophie van Steenderen

Wat de boer niet kent...

2 augustus 2010

Kunst is soms net als voedsel. Je moet het eerst goed geproefd hebben voor je kunt zeggen of je er van houdt of niet. Zo verging het mij met het werk van de Amerikaanse schilder Mark Rothko (1903-1970). Ik had er niets mee, lustte het zogezegd niet. Smakeloos, zouteloos, enkel zogenaamd aantrekkelijk opgediend door een hoop slap gelul eromheen - van de kunstenaar zelf en van de liefhebbers van diens werk. Hapje Rothko? Nee, dank je.

Rothko's carrière als schilder kwam maar moeizaam op gang. Het duurde lang voor hij zijn draai gevonden had. Zijn tobberige, depressieve persoonlijkheid werkte ook niet bepaald mee, naar het schijnt. Pas toen hij al een eind in de veertig was ontdekte hij waar zijn kwaliteiten lagen en stortte hij zich met volle overgave op het schilderen van kleurvlakken. Colorfieldpainting, zoals dat heet. Een subafdeling van het Abstract Expressionisme. Tussen 1949 en het moment dat hij een einde aan zijn eigen leven maakte, in 1970, schilderde hij enkel nog enorme doeken met verhelderende titels als: 'Orange and Yellow', 'Blue, Green and Brown' of 'White over Red'.
Gekleurde vlakken verf boven elkaar. Maar wie beter kijkt -en dan bij voorkeur natuurlijk naar het werk in real life – ziet dat Rothko een boeiend spel heeft gespeeld met de verf, het oppervlak, de kleuren, de vlakken, hun begrenzingen en overgangen. Soms ligt de verf er dik en ondoorzichtig op, soms is ze welhaast doorschijnend, en soms zelfs volkomen transparant. De verflagen waren er naar Rothko's eigen zeggen dan ook niet op geschilderd, maar op 'geademd'. Tot zover kan ik je bijbenen, Mark, prima gedaan.
Maar dan volgt de achterliggende filosofie. Rothko wilde niet de kleur laten zien, maar een denkbeeldige ruimte die zich uitstrekt van vóór het schilderij tot diep erin. Rothko zelf meende dat zijn kleurvormen en -vlakken acteurs op een podium waren, verlangend om contact te maken met het publiek. Hij was dan ook geobsedeerd door de relatie met het publiek. Schilderen, zei hij, is een vorm van continu verklaren: de schilder verklaart zijn idee, en zorgt er vervolgens voor dat de kijker die verklaring ook meekrijgt. De beschouwer zou ondergedompeld moeten raken in het werk en daarmee het schilderij moeten laten slagen. Zolang dat niet gebeurde, en de beschouwer als het ware buiten het schilderij bleef staan, dan was het schilderij niet af, vond de kunstenaar. Sterker: dan was het werk mislukt.

Rothko vroeg dus nogal wat van zijn publiek. Zo ergerde hij zich aan mensen die zeiden dat ze zo rustig werden van zijn werk. Het was namelijk zijn missie om met zijn schilderijen te prikkelen, niet om te kalmeren. Je mocht als beschouwer ook niet zeggen dat zijn werk abstract was. Dat was het niet, aldus Rothko. Zijn werk had namelijk een onderwerp, te weten 'de menselijke ervaring' en 'elementaire gevoelens.'
Maar de grootste belediging was zijn werk 'mooi' te noemen. Mooi! Stel je voor!
Zijn grootste angst was dat zijn schilderijen 'mooi boven de bank' zouden hangen, in de interieurs van de Amerikaanse happy few. Want dan zouden ze niet 'ervaren' en 'gevoeld' worden. Dan zou het noodzakelijke contact tussen kunstwerk -en kunstenaar- en de beschouwer niet tot stand komen.

Overgevoelige, vermoeiende zeurpiet, die Mark Rothko. Zijn gekleurde vlakken en die zweverige verhalen waren gewoon niet aan mij besteed. Jammer dan. Je kunt niet alles lekker vinden.
Tot die keer dat ik tijdens een les een schilderij van Rothko toonde. Iets met veel rood. Het ogenblik nadat de afbeelding op het scherm geprojecteerd werd, gebeurde er iets totaal onverwachts. Ik keek de zaal in en wat ik toen zag zette mijn hele wereld op z'n kop. Nou ja, dat is wat overdreven... Het zette in iedergeval mijn beeld van het werk van Rothko op z'n kop. Want terwijl ik de zaal in keek, naar mijn publiek, de beschouwers van het schilderij, zag ik hoe zij in een rood licht gedompeld waren. Ik, als beschouwer van de beschouwers, zag gebeuren wat die zeurpiet zo had verlangd. Het kleurvlak kreeg diepte. De grenzen tussen schilderij en ruimte ervoor vervaagden en de beschouwers werden opgenomen ín het schilderij.
Toen pas proefde ik het werk van Rothko ten volle.
En ik moest toegeven: 't is eigenlijk best te eten.

Rothko

terug