Gustave Caillebotte: Rue de Paris, temps de pluie (1877)

Home»Blog

Kunsthistorica Sophie van Steenderen

Kniesoor

19 november 2010

Laat ik er nu maar eerlijk voor uitkomen. Ik weet dat het een beetje vreemd is, ongepast zelfs. Vaak krijg ik de indruk dat de enige ben met dit probleem, maar wellicht helpt het om erover te praten.
De kwestie is: ik houd niet van Van Gogh. (Zo dat is eruit).
De woeste verfstreek die ik bij anderen zo waardeer, de felle kleuren die toch meestal mijn voorkeur genieten, de cafétaferelen die mij in vervoering zouden brengen wanneer Degas ze had gemaakt, de landschappen waarin die toch heerlijke Provençaalse zon schijnt... Het irriteert me allemaal mateloos.
Ik ben eigenwijs, ik geef het toe.
Hoe meer zijn werk geprezen wordt (en zijn armzalige leven wordt betreurd - die twee lijken altijd hand in hand te gaan, daarin ligt voor mij waarschijnlijk de kern van het probleem) deste groter wordt mijn antipathie. Wanneer ik het Van Goghmuseum in Amsterdam bezoek, keur ik de werken van de naamgever van de kunsttempel geen blik waardig. 'Ik kom hier dus echt niet voor jou Vincent!' treiter ik hem in gedachten. Ze zouden eens moeten weten, die hordes Amerikanen, Japanners en andere Van Gogh meelopers. Ík laat me in iedergeval geen oor aannaaien.

Een paar jaar geleden bezochten we met het hele gezin Museum Kröller-Müller. Met een dubbele kinderwagen blokkeerden we het smalle fietspad dat dwars over de Hoge Veluwe naar het museum leidde. Eenmaal binnen nodigden de ruime zalen uit tot rennen en gillen, maar gelukkig had vooral de vierjarige Sebastiaan ook aandacht voor de kunstwerken. Naar eigen zeggen houdt hij namelijk van kunst.
Dat heeft 'ie van zijn moeder.
Op school had hij tijdens een project over kunst kennis gemaakt met de schilderijen van Mondriaan. Ze hadden zelfs met blauwe, rode en gele verf eigen kunstwerken gemaakt à la De Stijl. Groot was zijn enthousiasme dan ook toen hij in het museum -helemaal op eigen kracht- werken van 'Monderiaan' ontdekte.
Terwijl ik met mijn gebruikelijke afkeer de alom vertegenwoordigde Van Goghs probeerde te vermijden drentelde Sebastiaan wel langs de schilderijen van 's lands knuffelschilder. Een paar zaaltjes verderop keken we gezamenlijk naar een portret van een clown, geschilderd door Charley Toorop. Hij moest lachen om de rode neus en de malle, vrolijk gekleurde feestuitdossing van de clown. Ik vond het portret eerder tragisch door de ruïnes van de gebombardeerde stad Rotterdam op de achtergrond.
Het hoogtepunt van het museumbezoek bevond zich echter buiten. In de beeldentuin kon er namelijk legaal gerend en geschreeuwd worden en konden de kinderen eindelijk hun favoriete hobby - 'overal-met-je-handjes-aanzitten' - uitoefenen. Favoriet waren natuurlijk de installaties die uitnodigden tot klauteren.

Tot slot brachten we een bezoek aan de museumwinkel om een paar ansichtkaarten te kopen. Eén met een ontroerend beeld van Rodin, eentje natuurlijk met de clown, om thuis nog eens samen naar te kunnen kijken en een afbeelding van een vroege, nog figuratieve Mondriaan.
Terwijl ik mijn kaarten op de toonbank legde, kwam Sebastiaan aanzetten met de kaart van zijn keuze.
'Caféterras bij nacht' door Vincent van Gogh.

Eigenwijs ja, dat heeft 'ie van zijn moeder.
Je krijgt nu eenmaal de kinderen die je verdient.

Van-Gogh

terug