Gustave Caillebotte: Rue de Paris, temps de pluie (1877)

Home»Blog

Kunsthistorica Sophie van Steenderen

Keihard en steenkoud

10 februari 2011

Een wollig schapenvachtje, versgevallen sneeuw, een grasveld vol madeliefjes....daar kun je maar moeilijk van af blijven. Sommige dingen of materialen hebben nu eenmaal een hoge aaibaarheidsfactor zonder dat ze daar iets voor hebben moeten doen. Dat nodigt uit tot allerhande fijne zaken: een warme trui breien, een sneeuwpop maken, een picknick kleedje met kruimeltjes uitwapperen...
Anders is dat met steen. Steen is koud, steen is kil, steen is onverbiddelijk en bovenal hard. Keihard. Onuitnodigend. Aaibaarheidsfactor 0.
Vreemd genoeg heeft de kunstzinnige mens van meet af aan zijn best gedaan dit gegeven te ontkennen. Of was het juist een manier om het schijnbaar onmogelijke mogelijk te maken? Om van dat harde, kille, ongezellige materiaal toch iets te maken dat prettige gevoelens oproept?
De oude Grieken konden als de besten steen naar hun hand zetten en maakten van maagdelijk wit marmer beelden die in al hun schoonheid idealer waren dan het leven zelf. Maar die kille stenen figuren werden vervolgens wel bont beschilderd. Zo kregen ze toch nog wat warmte mee.

Want om dat doodse materiaal leven in blazen, dat bleef de uitdaging waarvoor vele kunstenaars zich gesteld zagen. Michelangelo draaide zijn hand er niet voor om. Hij beweerde immers dat zijn sculpturen -of dat nu gespierde jongelingen waren, of vrome madonna's- al in het blok marmer gevangen zaten en het enige dat hij nog hoefde te doen was deze figuren uit het steen te bevrijden. Prachtig natuurlijk, Mozes die op het punt staat in woede uit te barsten, David die wat staat te mijmeren over de steen die hij net naar Goliath geslingerd heeft, of Maria met haar gestorven zoon elegant op haar schoot gedrapeerd. Maar hoe mooi ook, wat blijft in die beroemde sculpturen van Michelangelo is de ongenaakbaarheid. De distantie tussen beschouwer en beeld, het kille, kunstig gevormde marmer dat bewondering oproept, maar niet uitnodigt tot aanraken. En dat laatste is nu juist, wat mij betreft, zo onmisbaar voor een goed beeld. Als mijn vingers onbewust al onderweg zijn om 'er aan te zitten', nog voor ik er rationeel een mening over heb gevormd, dan is het een geslaagd werk.

Wat Michelangelo met zijn bevrijde figuren niet in mij losmaakt, dat doet Bernini wel. Als geen andere beeldhouwer voor én na hem kon hij dat harde steen kneden als ware het was in zijn handen.
Dwingend laat Bernini de gretige vingers van Hades in de derrière en het middel van Persephone verzinken, terwijl het marmer meegeeft alsof het daadwerkelijk het zachte vlees van een ietwat mollig vrouwenlijf is. Blijf daar als beschouwer maar eens van af!

Bernini

Wat natuurlijk ook helpt bij het 'aaibaarder' maken van een stenen beeld, is een knuffelige voorstelling. Dacht u ook meteen aan De Kus van Rodin?
De ultieme, overspelige!, omarming in steen, waarin hartstocht, tederheid, roekeloosheid en tegenzin om elkaar weer los te moeten laten met elkaar strijden om voorrang. Rodin is het harde, kille, ongezellige materiaal de baas geworden. De gladde lichamen van de geliefden contrasteren met het voetstuk van ruw, hobbelige marmer, om te bewijzen dat de beeldhouwer hen daadwerkelijk uit het steen bevrijd heeft en daarmee bloed door hun aderen heeft laten stromen. Is de hel eigenlijk wel zo vreselijk, wanneer je er voor eeuwig in zo'n kus aan elkaar vastgeklonken bent zoals deze Paolo en Francesca?

Rodin

En toch. Toch is er een beeldhouwwerk dat nog meer bij mij losmaakt dan welk beeld van Bernini of Rodin ook, hoewel er absoluut geen sprake is van een perfecte nabootsing van de werkelijkheid, of van overtuigend lillend damesvet of van gladde lichamen die sierlijk om elkaar heen draaien.
Daar sta ik, oog in oog met iets dat niet eens zijn best doet te verhullen dat het gewoon een brok steen is. Maar dat aandoenlijk en liefelijk is als een grasveld vol madeliefjes, eenvoudig en toch bijzonder als een pak versgevallen sneeuw, en warm en geborgen als een gebreide trui.
De Kus van Brancusi.

Brancusi

terug