Gustave Caillebotte: Rue de Paris, temps de pluie (1877)

Home»Blog

Kunsthistorica Sophie van Steenderen

Broertje

13 augustus 2012

‘Dat kan mijn kleine broertje ook!’ De ultieme dooddoener waarmee veel moderne- en hedendaagse kunst wordt weggezet. Echte Kunst is namelijk mooi of indrukwekkend, heeft een diepere betekenis, laat ons het hier-en-nu vergeten. En het is natuurlijk ‘knap gemaakt’. De kunstenaar heeft iets tot stand gebracht dat voor jou als beschouwer onhaalbaar is.
Maar wat nu als een kunstwerk helemaal niet groots en meeslepend is, je absoluut niet losmaakt uit het alledaagse, maar je eerder herinnert aan iets uit -pak ‘m beet- je keukenkastje? En dan ook nog eens zodanig in elkaar geknutseld dat je het potdorie zelf ook had kunnen maken.....of dat broertje natuurlijk.

Een klassieker in deze categorie ‘Dat-kan-mijn-kleine-broertje-ook-kunst’ is Marcel Duchamps Fietswiel op kruk, uit 1913. Hij zette er de kunstwereld van zijn tijd mee op z’n kop. En onbewust zaaide hij met dit ondeugende misbakseltje tevens de kiem voor de latere conceptuele kunst.
Mocht je overigens zo’n krukje in een museum tegenkomen, dan kijk je naar een van de remakes uit de jaren zestig. Het originele krukje is verloren gegaan. Dat klinkt sneu. En dat is het ook. Het object is ten prooi gevallen aan de zus van de kunstenaar die het per ongeluk heeft weggegooid toen ze het atelier van haar broer uitruimde, na diens verhuizing van Parijs naar New York. We kunnen het haar niet kwalijk nemen. De lijn tussen kunst en troep is nu eenmaal niet altijd even scherp getrokken.

duchamp

Ready-made is de term die de dadaïsten, waartoe Duchamp behoorde, aan dit soort objecten gaven. Een banaal voorwerp dat min of meer bij toeval de wereld van de kunst binnenstruikelt en ondanks zichzelf kunst met een grote K wordt.
Ondanks zichzelf, of dankzij zichzelf?
Want wie heeft eigenlijk bepaald dat kunst groots en meeslepend moet zijn en de kunstenaar een Übermensch is die het onmogelijke mogelijk maakt?
Met zijn Fietswiel stelde Duchamp deze aanname ter discussie. En hij wierp als eerste de vraag op die tot op de dag van vandaag niet bevredigend beantwoord is: ‘Wat is kunst?’.

stier

Mijn favoriete ready-made is de Stierenkop van Picasso, uit 1943.
‘Ik zoek niet, ik vind’ is een veel geciteerde uitspraak van deze kunstenaar. Misschien bedoelde hij dat wel heel letterlijk, toen hij al scharrelend in zijn schuurtje stuitte op twee nutteloos geworden voorwerpen die, samengevoegd, een nieuw leven konden beginnen.
Met een schijnbare achteloosheid heeft hij een kunstwerk in elkaar gedraaid, dat zó krachtig, zó grappig en vooral zó eenvoudig is, dat het briljant is. Tenminste, dat vind ík.
De beschouwer die geïrriteerd afhaakt bij het kinderspel van dit recalcitrante broertje, mist namelijk een hoop fijne associaties. De link met de Spaanse roots van Picasso ligt voor de hand. Denk aan de stierenvechten. Maar het werk zou ook kunnen verwijzen naar de mythologische Minotaurus, die in veel van Picasso’s erotisch getinte werken het beestachtige in de mens verbeeldt. Het kan de moeite lonen dergelijke anti-kunst niet meteen af te schrijven.

Want denk even terug aan dat kleine broertje dat kop-poters tekent, dat klei tot vormeloze hompen masseert en dat met papier-maché onbeduidende wezens kneet. Goed bedoeld. Maar onder ons gezegd eigenlijk niet zo heel knap gemaakt.
Wie echter open staat voor de belevingswereld van een kind weet welke grenzeloze wereld vol mogelijkheden en fantasieën schuilgaat achter het schijnbaar eenvoudige of knullige uiterlijk van het knutselwerk.
Het idee is belangrijker dan het resultaat. Elk kind is in wezen een conceptuele kunstenaar.

Los daarvan denk ik dat de afwijzers van kleine-broertjes-kunst eigenlijk gewoon stik-jaloers zijn.
Kijk, met Leonardo da Vinci of Rembrandt kun je niet wedijveren. Hun kunst en talent is zo onbereikbaar dat je niet eens moeite zal doen om hen te evenaren. Dat kijkt lekker relaxed weg. Maar kunst die je zélf had kunnen maken is veel prikkelender en uitdagender én irritanter.
Want iedere keer als ik die Stierenkop zie, dan word ik een beetje boos. Niet op Picasso. Maar boos op mezelf.
'Waarom heb ík dat niet bedacht?!’

terug