Gustave Caillebotte: Rue de Paris, temps de pluie (1877)

Home»Blog

Kunsthistorica Sophie van Steenderen

Bah, lekker!

25 februari 2010

Het komt door de zondag. Daar is het begonnen. Mijn voorkeur voor vies.
Want zondag was VPRO-dag. En had deze omroep niet het monopolie op vies? Op lekker vies, welteverstaan. Ooit begonnen met de blote borsten van Phil -Hoepla- Bloom, blonk de VPRO uit in vieze televisie.
Ik herinner me Sjef van Oekel kotsend in een fietstas. En de Vieze Man van Koot en Bie, die als 'ophaalchinees' in zijn gore regenjas langs de deuren ging, of in de sjieke chocolaterie schilferig, schurftig en kwijlend van alle bonbons proefde, uiteraard zonder iets te kopen. Dat was genieten geblazen.

Maar pas echt lekker vies was het op de zondagochtend, met een paar uur VPRO-kindertelevisie.
Tuurlijk, het jongetje in Achterwerk in de Kast dat moedige pogingen deed om zijn 'palings' te laten zien was een glibberig genot. Maar ook Rembo & Rembo konden je op dat gebied het spreekwoordelijke poepie laten ruiken. Terwijl wij als gezin aan de ontbijttafel zaten, gleden de twee kale jongens uit in een manshoge hondendrol. Sjongejongejonge, wat was dát een leuk programma!
Maar echt, écht doorslaggevend waren natuurlijk Theo en Thea: professor Zuurbekje die geil de verpleegster met de grote bombonella's trachtte te betasten, Anneke Artistiek die, met een lampenkap op haar hoofd, poppetjes boetseerde van oorsmeer. En natuurlijk de meesterlijke film Theo en Thea en de Ontmaskering van het Tenenkaasimperium waar een puist op een 'gecombineerde probleemhuid' -flatsj- in beeld wordt uitgeknepen, en waar Theo en Thea de afgeknipte teennagel van Adèle Bloemdaal aanzien voor een cashewnootje.
Ja, het moge duidelijk zijn dat het is begonnen op de zondag, mijn voorkeur voor vies.

Gelukkig heb ik een vak gekozen waarin ik mij, desgewenst, kan wentelen in viezigheid, als ware ik Rembo in de hondendrol. Wat te denken van Wim T. Schippers (VPRO, inderdaad) die het voorbeeld van Rembo en Rembo wel heel letterlijk gevolgd lijkt te hebben: zijn Stationnement gênant (2008) is een vier meter hoge kunststof bolus. En als we dan toch in die sferen verblijven: het kunstenaarsduo Gilbert and George houdt ook van shockeren met bloot, pies, sperma en natuurlijk poep. Afzonderlijk of, zoals in hun Naked Shit Pictures (1994), in combinatie.
En wie herinnert zich niet de commotie rond de 'plassex' affiches waarmee het Groninger Museum in 1997 aandacht wilde trekken voor de tentoonstelling A History of Andres Serrano / A History of Sex. Op het laatste moment werd er van de veelbesproken posters afgezien. Maar ondertussen had iedereen de foto al via de media onder ogen gekregen, en had iedereen er een oordeel over. Ik ook. 'Getverdemme!' dacht ik. Dus: 'goedgekeurd'.

Maar ook buiten de categorie 'poep en pies' valt een hoop te beleven in de kunst.
Eén van de meest fascinerende voorbeelden vind ik Self (1991) van Marc Quinn. Een portretkop in de kunsthistorische traditie van het gebeeldhouwde zelfportret. Er viel echter weinig te houwen, want het materiaal is geen brons of marmer, maar vijf liter van Quinn's eigen bevroren bloed. Eerste reactie: BAH! ENG! VIES!
Maar wie wat langer stilstaat bij de bedoelingen van de kunstenaar kan niet anders dan bewondering hebben voor de veelzeggende kracht van dit materiaal. Bloed staat, zo lang het in het lichaam blijft, voor levenskracht. Maar eenmaal daarbuiten is bloed, ook dankzij de rode kleur, een alarmerend signaal dat geassocieërd wordt met pijn, lijden en zelfs dood. De vijf liter bloed is precies de inhoud van een volwassen mens. Quinn heeft het bloed in veilige tussenpozen af laten tappen, om niet aan het werk ten onder te gaan. Juist hiermee maakt hij de kwetsbaarheid van het leven zichtbaar, hetgeen benadrukt wordt doordat het beeld bevroren is en voor zijn bestaansrecht volkomen afhankelijk is van de koelvitrine. Self is een kasplant, teer als het leven zelf.

QuinnSelf

Al dit soort vieze kunst is mij lief; lekker lief. Toch kunnen alle genoemde kunstwerken niet op tegen dat éne werk, dat werk dat op vele manieren geïnterpreteerd kan worden, maar tegelijkertijd volmaakt is in al zijn eenvoud.
Piero Manzoni's Merda d'artista (1961) is precies dat wat je denkt dat het is: stront van de kunstenaar.
De 90 blikjes, door Manzoni hoogstpersoonlijk volgescheten, symboliseren voor mij dan ook het ultieme zondagochtendgevoel.
Bah, lekker!

manzoni

terug